Veiligheidsfuncties
Het robotsysteem heeft de volgende veiligheidsfuncties.
Deze functies zijn bijzonder belangrijk voor de veiligheid. Controleer daarom altijd of deze goed werken voordat het robotsysteem wordt gebruikt.
Standaardfunctie van de veiligheidsfunctie van de Controller
Veilige koppeluitschakeling (STO)
- Een toestand waarbij de robot wordt gestopt wanneer een signaal van de robotcontroller wordt ingevoerd, waardoor het relais opent en de stroomtoevoer naar de motor wordt uitgeschakeld.
- Hierdoor gaat de robotcontroller in de veiligheidsmodus.
- STO wordt indirect bediend vanuit een noodstop of beschermende stop. Deze kan niet rechtstreeks worden bediend.
Noodstop
- Deze functie brengt de robot in een noodstopstatus wanneer de noodstopschakelaar op de NOOD-connector wordt ingedrukt.
- Nadat het signaal is ingevoerd, wordt de STO uitgevoerd en gaat de robotcontroller naar de noodstopstatus nadat de motor is gestopt.
- Het noodstopcircuit van de robotcontroller wordt hieronder beschreven.
- NOOD-connector
- Dit is een noodstopschakelaar (E-Stop, TP) die aan de teach-pendant is bevestigd.
Beveiliging (SG)/beveiliging (beschermende stop)
- Deze functie zet de robot in een beschermende stop wanneer er een signaal wordt ingevoerd van perifere veiligheidsapparaten op de NOOD-connector.
- Nadat er een signaal is ingevoerd, wordt de beschermende stop uitgevoerd en gaat de robot naar de beschermende stopstatus nadat de motor is gestopt.
- Het beveiligingscircuit (SG) van de robotcontroller wordt hieronder beschreven.
- NOOD-connector